jij, ik, wij We wisten het niet, dat het zo zou gaan, jij, ik, jong, groen. Het wroeten, het moeten, het minnen, het zoete, houvast krijgen in losse grond. Seizoenen, suizen, ploegend, gaan, wassend naar elkaar. Nu, de vrucht voorbij. Het lieven, het zoete, jij, ik, wij vergroeid.